Over Gullemoei

De reuzen
Reuzen zijn naast de kabouters en de mensen de derde soort mensachtigen. Kabouters en reuzen verschillen van de mens omdat ze zich op elk moment onzichtbaar kunnen maken. Althans voor mensen, niet voor dieren. Vroeger en nu nog leefden ze vooral op de grote open vlakten. Ze eten zowat hetzelfde als olifanten maar dan meer. Dus gras, bladeren, takken en hele bomen als ze erge honger hebben. Een eigenaardigheid van reuzen is dat ze ontzettend oud worden. Experts schatten van wel 5000 jaar. Veel kinderen krijgen ze niet, anders zou de wereld al snel te klein zijn. Maar ook omdat reuzen heel traag leven en bewegen. Net zoals een grote olifant veel trager is dan een kleine spitsmuis.

Toen er steeds meer mensen kwamen gingen de reuzen zich steeds meer terugtrekken uit de zichtbare wereld. Lang voor de middeleeuwen leefden ze nog samen, reuzen en mensen maar mensen waren vaak bang voor die grote wezens en begonnen ze dan uit te schelden. En dat moet je niet doen. Reuzen zijn eigenlijk goedaardig, maar maak ze niet kwaad. Dan schoppen ze om zich heen en rapper dan je zou verwachten. En een reuzenschop komt hard aan, zoveel is wel zeker.

Toch waren de reuzen wel begaan met de mensen. Ze vonden ze wel grappig en als een groepje mensen (de reuzen zeiden ‘meinzen’) ergens permanent ging wonen werden ze door een reus geadopteerd. Niet dat de meinzen dat in de gaten hadden, maar de reuzen onder elkaar wisten wel wie welk dorpke of gehucht onder zijn of haar hoede had. Want reuzinnen deden er ook aan mee; sterker nog, ze waren er altijd als de kippen bij.

Gullemoei krijgt Gilze
Op de grote vlakte tussen Alphen, Chaam en Gilze, waar nu de rijksbossen zijn, woonde een kleine familie reuzen: vader, moeder en dochter. Wellicht wonen ze er nog, maar niemand weet precies waar. Er zijn wel enkele aanwijzigingen. Zo is het Putven, wat vroeger het Puitven genoemd werd, de plaats waar reus Puit of Pa Puit zich waarschijnlijk elk jaar wast. De reuzin heet Maai, Ma Maai. Zij wast zich wel twee keer per jaar in het zogenaamde Maaiven. Reuzendochters badderen bij ma tot ze ongeveer 500 zijn, en reuzenjongens bij pa.

Gullemoei_jong_01
Toen zo rond het jaar 700 mensen zich begonnen te vestigen in deze streek werden ze onder de reuzen verdeeld. Ma Maai nam Chaam, Pa Puit kreeg Alphen en de dochter, die Gullemoei heette, ontfermde zich over Gilze, dat toen nog Gulisa heette. Gullemoei was net volwassen geworden, dus 750, vandaar. Toen er later nóg een reuzenbaby geboren werd, Ulkje, werd beschreven dat die Ulicoten zou aannemen, mocht dat ooit ontstaan.

Gullemoei ging vaak naar haar klein dorpke kijken. Ze lag dan dagen languit op haar buik in het zand, onzichtbaar natuurlijk, het (zware) hoofd steunend op de ellebogen en liet haar voeten telkens in het zand ploffen. Daardoor zijn de hopen en kuilen ontstaan die je nu nog terugvindt op Klein Zwitserland.

Telkens als de meinzen iets met elkaar gingen ondernemen lag Gullemoei vol verwondering te kijken. Ze was dat zelf niet gewend, want ze was maar alleen; althans Ulkje was nog maar 100. Daar viel nog niet veel mee te beginnen. Bovendien zou die later toch maar naar Ulicoten gaan. Eigenlijk wilde Gullemoei graag bij die groepjes meinzen horen, maar ze durfde niet, bang om de meinzen zo bang te maken dat ze op de vlucht zouden slaan. En dan had ze niks meer. Wat ze deed was deze groepen meinzen stiekem helpen. Als die bijvoorbeeld een stuk bos wilden rooien om een nieuwe akker te maken, ging ze ’s nachts wel eens hard tegen dat stuk bos staan aanblazen zodat de bomen al half omver lagen. Ze at er dan zelf wel enkele van op, want ze had van dat geblaas natuurlijk reuzenhonger gekregen. Als de meinzen ’s morgens terug kwamen dachten die natuurlijk dat het gestormd had. Ze zijn die akker altijd de “wendakker” blijven noemen.

Gullemoei_jong_02
Een andere keer was een groepje meinzen bezig met het graven van een diepe kuil om water uit te kunnen scheppen. Alles was nog primitief toen en er was beslist nog geen waterleiding. Maar iedere keer stroomde de kuil vol met drijfzand en moesten de dorpelingen opnieuw beginnen. En het gat werd zo breed dat het de fundering van het nieuwe kerkje begon te ondermijnen. Op een nacht bracht Gullemoei, die het geploeter van de meinsjes had aangezien, een holle eik mee uit het grote bos. Het binnenste was ooit leeg geschraapt door Pa Puit, die erg van eikenmerg hield, maar niet van schors. Ze plantte de boom rechtop in het gat. Met haar handen pakte ze enkele keren zand uit de buurt om het gat rondom op te vullen. Zo is de Spoel ontstaan, waar nu het Laarspad ligt. De eikenput is veel later terug gevonden en staat op de Tip, die ook wel ooit het Mgr. de Vetplein wordt genoemd.

Gullemoei komt onder de meinzen
Gullemoei was intussen 2000 jaar oud. Op die leeftijd zijn reuzinnen echt helemaal volwassen, zoals meinzen zo rond hun 40 pas echt volwassen zijn. Gullemoei had een rijzige gestalte, zelfs voor een reuzin. Fier en freet rechtop. Een pronte vrouw zou men op zijn Gils kunnen zeggen. Haar oogopslag was zachter, met meer moederlijke bezorgdheid, dan men zou verwachten van een reuzin. Dat zal ook wel gekomen zijn omdat ze de hele geschiedenis van Gilze had meegemaakt.

Maar de laatste oorlog had haar veranderd. Ze had nooit angst gekend, maar het nieuwe oorlogsgeweld was ook haar te machtig geweest. Ze had veel meinzen zien omkomen  bij de bombardementen. Zelf was ze geraakt in haar been door een scherf. Daardoor trok ze een beetje met dat been, niet erg, maar als je er op zou letten zou je het zien. Die oorlog had haar aan het denken gezet. En haar niet alleen. Door de gebeurtenissen was er ook een verandering onder de reuzenbevolking aan de hand. Ze spraken daar onderling over op hun 5-jaarlijkse bijeenkomsten. Steeds meer reuzen zouden zich graag af en toe zichtbaar maken in hun dorp. Niet altijd natuurlijk. Want dan zouden alle bouwvoorschriften weer aangepast moeten worden. Gullemoei liep er ook al jaren over te piekeren. Ze zou zich graag willen tonen bij de feestelijke gebeurtenissen van al die groepen meinzen die er intussen waren in het dorp, die ze hier en daar geholpen had en er ook bij willen horen. Die verenigingen en buurten hadden Gullemoei al vanaf het begin van Gilze aangetrokken en van allemaal had ze de geboorte meegemaakt.

Hoe het verder afloopt weten we nog niet. De naam Gullemoei heeft een associatie met gul, goedgeefs, enerzijds en met moeder anderzijds, hoewel moei eigenlijk tante betekent. Verder liggen de klanken in gul en gil (-ze) kort bij elkaar. In 1698 is er een archiefstuk met de naam Gullekens Moeij stedeke. Dat boerderijtje lag aan het pad langs gasthuis en kerkhof. Gulle of Golle is denkelijk afgeleid van Godelieve.

 

Jan Hoevenaars